Noord-Holland

NL
V

Sneeuwklokjes stropen voor veel geld: "Het hoort bij de natuur"

2 maart 2018, 08.00 uur · Aangepast 2 maart 2018, 13.18 uur

AMSTERDAM De typische witte bloem die in de winter uit de grond komt, blijkt voor veel geld verkocht te kunnen worden. Sommige sneeuwklokjesbollen leveren vijfhonderd tot duizend euro op.

Boswachter Annemiek Stevenhagen loopt door het bos en ziet vrij snel al een veld vol sneeuwvlokjes. "Kijk! Zo door de kou, op de eerste dag van de lente."

"We hebben wel eens stropers van sneeuwklokjes op heterdaad betrapt", vertelt Stevenhagen. "Acht mannen in donkere pakken stoppen hier de bollen in zwarte kratten. En dan gaan ze naar één of andere markt, en daar proberen ze de bollen te verkopen."

De boswachter legt uit dat er sowieso te veel wordt gestroopt in bossen. "Stropen klinkt natuurlijk meteen heel gevaarlijk, maar er zijn zat mensen die met tassen vol dennenappels weer naar huis gaan. Dat is gewoon echt niet de bedoeling, het hoort in de natuur."

'Ik split de bol'
Bloembollenkweker Gerard Oud vindt het zonde dat het gestroopt wordt in het Amsterdamse bos. "Het is een openbaar bos waar veel mensen doorheen lopen, en kunnen genieten van deze bol. Dit is volgens mij niet de plek waar je moet spitten. Er zijn voldoende andere plekken waar je naartoe kan."

Zelf spit de bollenkweker ook wel eens. "Toch is dat bij mij anders. Ik split de bol, waardoor beide bollen gaan bloeien en blijven leven. Maar toch is het waar, ook ik zit wel eens met mijn knieën op de grond."

Wat Staatsbosbeheer zegt, vindt Gerard Oud onzin. "Je mag volgens hen nergens aan komen, maar als je een boom wil, rooien ze die voor je. Dan rijden ze zo door die sneeuwklokjes heen. Maar het Amsterdamse bos, daar zou ik niks weghalen."

Zestig euro
De sneeuwklokjes die in het Amsterdamse bos staan, leveren volgens de kweker niet zo veel op. "In één krat zitten al snel duizend bollen van elk soort formaat. Daar krijg je ongeveer zestig euro voor, dan is het heel hard werken voor dat geld. Dat is het niet waard."

Rob Wakker